“Het blijft belangrijk geen enkele uitdaging uit de weg te gaan” – Interview met Cretien De Cauwer

50 jaar tijdschrift BETON betekent ook minstens 50 jaar betonsector. In die sector zochten we naar wandelende encyclopedieën, die de vijf decennia moeiteloos overspannen. Cretien De Cauwer is er één van. Hij begon zijn carrière in 1969. Terwijl hij kantoor hield in het befaamde CBR-gebouw van Constantin Brodzki, werd enkele kilometer verderop aan het eerste nummer van het tijdschrift BETON gewerkt. Cretien De Cauwer, ingenieur met een passie voor bruggen, schetst in vogelvlucht zijn loopbaan en neemt enkele van de belangrijkste evoluties van de voorbije jaren mee.

Cretien De Cauwer

Cretien De Cauwer:Ik begon op 1 augustus 1969 op de studiedienst van Ergon in Brussel. Ergon en Ytong waren toen twee onderafdelingen van CBR. We hingen af van de Société Générale. Ik begon mijn carrière in de Waterloolaan, maar als snel mocht ik naar wat sommigen de ‘patisserie van Brodzki’ noemden (nu Co-workingplek Fosbury & Sons, nvdr). Wij produceerden zowel structuurelementen, brugliggers, holle vloerplaten (het prille begin) en ook architectonisch beton. In 1988 werd Ergon deel van de Finse groep PARTEK. Daarna, vanaf 1996, behoorden we enige tijd tot de Willemen Groep, en sinds 2004 maakt Ergon deel uit van de CRH-groep. Zelf ben ik in 2010 op pensioen gegaan.

BETON: De jaren zeventig was ook de periode waarin een heel aantal stadsviaducten werden aangelegd. Daar werd veel aandacht aan besteed in de eerste nummers van BETON, met vooral het voorgespannen beton in een prominente rol.

C. De Cauwer: Voorgespannen beton dateert van 1948, en is ontwikkeld door onder meer Gustave Magnel in Gent. Het eerste project in voorgespannen beton in België, is uitgevoerd voor de realisatie van brugliggers. Ergon begon voorgespannen beton te produceren in 1963. Structo was met ‘Vader Declercq’ een voorloper en bij Ronveaux was voorgespannen beton toen ook al te krijgen.

BETON: Voorgespannen beton was toen nog wel iets anders?

C. De Cauwer: De elementen zijn erg geëvolueerd. De fabriek van Ergon werd in 1963 gebouwd om balken van 40 ton te kunnen produceren. In 1995 werden er elementen van 220 ton geproduceerd. Er is ook een sterke vooruitgang geboekt in de gerealiseerde betonweerstand. Waar we destijds een betondruksterkte van 40 tot 50 N/mm² haalden, bereikt men nu dankzij verbeterde betonrecepten met gemak een sterkte van 100 N/mm². In 1992 produceerden we voor het eerst een beton C 80/95 voor het D3 gebouw in de Leopoldswijk te Brussel. Omdat hoogwaardig beton een ander brandgedrag heeft moesten we daar op ingenieuze wijze mee omgaan. Het spatten van beton bij brand konden we vermijden door polypropyleen­vezels aan het beton toe te voegen. Eerder onverwachts reduceerden die vezels echter de druksterkte, wat aanleiding gaf tot het soms maar nipt halen van de beoogde weerstand.

BETON: Werd er op dezelfde manier voorgespannen?

C. De Cauwer: Neen, toen ik begon bij Ergon werd er gebruik gemaakt van draden en niet van strengen. Draden met een diameter van 2 mm werden voorgespannen in bundeltjes van 4. Een element zat dus vol kleine draadjes. In 1969 maakte men de overstap naar voorspanstrengen van een halve duim, de zogenaamde T12. Tegenwoordig worden ook T15 strengen veelvuldig toegepast. Ook de naspankabels zijn geëvolueerd. Vroeger werkten wij vooral met het zogenaamde BBRV-systeem. In dit systeem werden de kabels met hulzen en verankeringen vooraf klaargemaakt en als dusdanig ingestort in het beton. De kabels werden samengesteld met draden van 7 mm diameter. Vandaag worden voor de naspankabels strengen T12 en T15 courant toegepast. Sinds enige tijd worden de strengen ingebracht in de gaines die voorzien worden voor de naspanning, na betonneren van de liggers. Ook het gewone staal heeft een evolutie gekend. Toen ik begon, werkte men soms nog met ‘staal 22’, het gewone gladde staal. Het meer hoogwaardige staal was toen TOR staal, getorst staal BE 400. Nu gebruikt men veelal ’getrokken staal’. De kwaliteit is intussen BE 500 geworden.

In de jaren 60 mocht een balk bij Ergon 40 ton wegen. De rolbruggen zorgden voor de beperking. Bij gebrek aan investering in zwaardere rolbruggen, hebben we in het begin van de jaren zeventig een tussenoplossing bedacht, die de arbeiders in de fabriek het gebruik van het ‘hondenkot’ noemden. Zelf heb ik nooit begrepen waar ze die naam vandaan haalden. We hadden een stalen constructie laten maken van 48 meter lang - het hondenkot dus -. Daarin werd de balk opgehangen en op die stalen constructie grepen alle rolbruggen – twee zware en twee lichtere per hal – tegelijkertijd aan. Op die manier konden we meer rolbruggen activeren en konden we langere en zwaardere elementen produceren in de oude fabrieksconstructie van 1963. Zo bijvoorbeeld voor de liggers van de drie bruggen die we in 1987 maakten over de E40, met een lengte van 46 meter.

© Foto uit het eerste artikel over industriebouw in het tijdschrift (BETON 17, 1972). Het bedrijfsgebouw van 3 M in Diegem, met betonelementen van Ergon (toen CBR)

BETON: Welk statuut had prefab beton in de jaren zestig en zeventig?

C. De Cauwer: In de zestiger en zeventiger jaren was prefabricatie synoniem voor seriematige productie. Een bestelling moest een behoorlijk volume aan beton hebben, en producten met een minimum aantal identieke elementen bevatten. Eén van de eerste beslissingen van toenmalig directeur Noirfalize was om geen projecten aan te nemen die onder een kritisch volume van 100 m³ bleven. Bestellingen met teveel verschillende producten waren eveneens uit den boze. Moeilijke constructies werden ter plaatse gestort. Pas later, in de jaren 80 zijn wij overgeschakeld op meer gecompliceerde werken en op maatwerk producten. We keken wel soms met wat heimwee terug naar de tijden van eenvoudige productie, maar uiteindelijk waren de complexe projecten een uitdaging en zijn ze lonend gebleken. Bij de aannemers was er ook evolutie merkbaar. Wat in de zestiger jaren moeilijk uitvoerbaar was, werd ter plaatse gegoten. Dat evolueerde geleidelijk naar: wat moeilijk uit te voeren is, vragen we aan Ergon om te prefabriceren.”

© De opbouw van de fabriek van Ergon (Lier) in 1963

BETON: Wat hebt u het meest zien veranderen in uw carrière?

C. De Cauwer: De software! Ik leerde al heel snel programmeren, in 1970, op de zogenaamde MK2. Die computer stond in Amerika en via timesharing kon je aanloggen op een terminal bij ons. Wij maakten programma’s van 6 kB op geponste bandjes. Was er een gaatje verkeerd, dan moest je opnieuw beginnen. Via dat bandje kon je het programma dan laten draaien mits aanpassing met nieuwe gegevens. Ik had een programma geschreven dat de voorspanning kon bepalen, en zelfs automatisch kon bepalen over welke afstand je voorspanstrengen moest omhullen (om te grote druk en/of trek spanningen aan het uiteinde van het element te vermijden, nvdr). Dat programma was natuurlijk veel groter dan 6 kB. Vandaag kan je niet begrijpen dat je met 6 kB iets kon aanvangen. Je moest dan met een ‘chain’-commando verschillende programma- onderdelen koppelen, wat wou zeggen dat resultaten van het vorige programma-onderdeel moesten ingeladen worden in het volgende onderdeel om verder te kunnen gaan. Frusterend werk was dat.

Wat CAD tekenen betreft, in 1982 wilde de Société Générale bewijzen dat ‘digitaal’ de toekomst was. Ergon moest hiervoor ‘proefkonijn’ spelen. We hadden twee terminals beschikbaar. Men bedacht dat de tekenaars in shiften moesten werken om de computers maximaal te gebruiken. Het ging ook om imago. Als je bij de leverancier van de CAD software ging kijken was je versteld van wat ze met die computer deden. Maar ze hadden wel drie weken gewerkt om je dat resultaat te kunnen tonen. Als je nadien datzelfde zelf moest tekenen, viel het dik tegen. In de tijd dat we met die ‘toestellen’ werkten, vroeg de tekenaar ons steevast: Heb je het plan snel of niet snel nodig? Alleen als je het ‘niet snel’ nodig had tekende men met de computer. In 1986 zijn we met ons eerste CAD experiment gestopt, en tekenden we verder met de hand.” In 1991 hebben we CAD met Autocad software kunnen introduceren in de hele Finse groep.

BETON: Was het indertijd een sport om te proberen andere constructiewijzen om te zetten in voorgespannen prefab beton?

C. De Cauwer:Een mooi voorbeeld is de realisatie in 1976 van de brugliggers van de Van Praetbrug in Brussel, voor het gedeelte waarop de tram rijdt. Dit nieuwe brugdeel was oorspronkelijk voorzien met preflex liggers, stalen voorgebogen liggers die met twee verticale drukkrachten werden belast, en die voorzien werden van een onderflens in beton. Na verharding van het beton, werden de twee drukkrachten weggenomen, waardoor de onderflens in beton dan voorgespannen werd. De preflex-liggers hadden een hoogte van 1,25 m. Bij gelijke constructiehoogte en gelijke tussenafstand van de liggers, maakte een oplossing met voorgespannen liggers geen kans. We konden de administratie overtuigen om de constructiehoogte op 1,75 m te brengen, omdat een verderop gelegen brug een lagere onderrand had. Met de liggers in voorgespannen beton, 42 m lang en 65 ton zwaar, konden we de prijs van de preflex liggers halveren. Vanaf toen werd het vervangen van preflexen min of meer een hobby.

© Ergon – De voorgebogen stalen ligger voor het Viaduct van Lot tijdens de productie

BETON: Wat zijn andere belangrijke evoluties in de elementen die u hebt weten produceren?

C. De Cauwer: Het zwaarder maken van de liggers, wat voortdurend evolueerde. Voor het viaduct van Lot hebben wij in 1995 balken van 212 ton geproduceerd. Deze liggers waren een combinatie van preflex met voorspanning en naspanning. Het ontwerp daarvan werd gemaakt door Tucrail, de studiedienst van de NMBS. Vooral op gebied van productie en manipulatie was dit een huzarenstuk.

Een andere belangrijke evolutie was de productie van bakbruggen voor de spoorwegen. De eerste bakbruggen in 1993 hadden geen ingewerkte stalen liggers hadden, maar enkel voor- en naspanning, en zeer zware drukstaven boven in de liggers. Enkele jaren later, in 1996, zijn we dan overgeschakeld op de voor de NMBS klassieke bakbruggen met ingewerkte preflexen. Nog later produceerden we bakbruggen van een complexer type. Zo bijvoorbeeld werd de bakbrug van Sint-Katherina-Lombeek (Ternat) geproduceerd met een zeeg van 80 cm.

© Ergon – De eerste bakbrug uit 1993 (Vilvoorde)

De innovatie van de IVH-ligger.

© Ergon – De bakbrug van Sint-Katherina-Lombeek

C. De Cauwer:In 1996 brachten we de IVH-ligger op de markt. Dit zijn balken die over de hele lengte gaten hebben. Men dacht dat ik die had ontwikkeld om het gewicht te beperken. Dat was het niet. We hadden een aantal keer een zaak verloren tegen staal, niet omwille van de prijs, maar omwille van het feit dat je leidingen kan doorvoeren in de stalen vakwerkliggers. En nu konden die IVH-liggers ook leidingen doorvoeren! Het heeft overigens ook met de evolutie van de dakbedekking te maken. Met de Ytong-bedekking die veel werd toegepast in de zestiger en zeventiger jaren, werden de liggers berekend voor een last van 1,3 ton per strekkende meter. Toen Ytong meer en meer verdrongen werd door steeldeck bedekking kwam je toe met 500 kg per meter. De IVH-ligger speelde ook daarop in. Een gewone IV ligger had bij ons een helling van 6,25%; de IVH-ligger heeft een helling van 5%, wat een meer logischer helling is voor de kleinere belasting van steeldeck. Voor de belasting van 1,3 ton per meter is de IVH niet echt geschikt. Onze eerste IVH liggers hadden een overspanning van 34m. Later zijn we tot 50 m overspanning geraakt, voor de Honda Fabriek in Aalst.

De evolutie naar de torens

© De IVH-liggers van 50 m voor Honda Aalst

C. De Cauwer: Rond de eeuwwisseling begon ook het bouwen van torens in (prefab) beton erg in trek te komen. Tot dan werd er vaak staal gebruikt voor hoogbouw. Dat gold trouwens ook voor de twee torens van North Galaxy, nu Proximus, in Brussel. Naast een voordeel in prijs, hadden wij ook het voordeel dat wij sneller bouwden dan de staalconstructie, omdat bij staal elke keer moest gewacht worden tot de verdiepingsvloer gebetonneerd was. Onze elementen hadden geen verhardingstijd meer nodig.

Voor de torenbouw zijn we verder naar steeds complexere vormen geëvolueerd, zoals voor de Central Plaza toren, die in grondplan de vorm heeft van een ovaal, en voor het AXA Jeql gebouw dat ringvormig is.

In de jaren 90, werden ook de grote sportprojecten en stadions een belangrijk deel van onze omzet.

© Ergon – Central Plaza – Brussel

BETON: U bent in 2010 met pensioen gegaan, maar volgt, via uw zoon die een studiebureau heeft, de sector nog op de voet. Gelooft u in de toekomst van prefab beton?

C. De Cauwer: Zeer zeker, prefab beton zal er altijd zijn, ook voor ingewikkelde constructies. Ik ben er zelfs van overtuigd dat, hoe meer engineering er nodig is, hoe relevanter het wordt om met prefab beton te werken. Belangrijk blijft evenwel geen uitdagingen uit de weg gaan, en continu te werken aan innovatie.” (KDA)

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *