Akoestische bouwconcepten onder de loep

De norm NBN S 01-400-1 ‘Akoestische criteria voor woongebouwen’ bepaalt de vereisten voor afgewerkte gebouwen op vlak van luchten contactgeluidsisolatie. Het bepalen van de geluidsisolatie is een complexe materie. Als alternatief op ingewikkelde berekeningen heeft het WTCB (Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf) een aanpak uitgewerkt onder de vorm van bouwconcepten. Van de meest voorkomende bouwconcepten werden de akoestische prestaties berekend. De resultaten en de eventueel te nemen maatregelen verschijnen binnenkort in de Technische Voorlichtingsnota ‘De lucht- en contactgeluidsisolatie van woongebouwen’. In dit artikel nemen we alvast de twee meest voorkomende concepten onder de loep en geven we aan hoe ze toepasbaar zijn met prefab vloerelementen.

Lucht-en contactgeluidstransmissie

Figure 1.

Om geluid te kunnen waarnemen moet de lucht aan het trillen gebracht worden. Als het geluid ontstaat in de lucht noemen we dit luchtgeluid, bijvoorbeeld stemgeluid. De trillingen van de lucht in een ruimte worden doorgegeven aan de omringende bouwdelen. Indien de bouwdelen rechtstreeks aan het trillen gebracht worden spreekt men van contactgeluid, bijvoorbeeld loop- en klopgeluiden. De trillingen in de bouwdelen worden enerzijds rechtstreeks naar de lucht van de naburige ruimten afgestraald, d.i. directe geluidstransmissie (D), zie Afbeelding 1.

Anderzijds kunnen ze ook via de verbindingen van de bouwdelen doorgegeven worden aan andere bouwdelen die de trillingen naar andere ruimten kunnen afstralen, d.i. flankerende geluidstransmissie (F), zie Afbeelding 1. Vandaar dat er in bepaalde ruimten geluiden hoorbaar kunnen zijn, die afkomstig zijn van bronnen uit een veel verder gelegen ruimte in het gebouw. Bouwdelen zijn gemakkelijker rechtstreeks in trilling te brengen dan de lucht. Bovendien zijn zware bouwdelen moeilijker in trilling te brengen dan lichte. Om bouwdelen te isoleren tegen contactgeluidstransmissie is meestal een extra maatregel nodig in de vorm van een trillingsdempende laag. Naast de directe en flankerende geluidstransmissie wordt de akoestische isolatie tussen twee ruimten bepaald door de oppervlakte van de scheidingswand of -vloer en het volume van de ontvangstruimte. Naarmate de scheidingsoppervlakte toeneemt wordt er meer geluid afgestraald in de ontvangstruimte en zal de luchtgeluidsisolatie afnemen. Omgekeerd zal de luchtgeluidsisolatie toenemen naarmate de ontvangstruimte groter wordt. Voor contactgeluidsisolatie speelt de grootte van de scheidingsoppervlakte geen rol. Het volume van de ontvangstruimte daarentegen wel waar hetzelfde effect speelt als bij luchtgeluid.

Normatief kader

Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van de norm NBN S 01-400-1. Deze norm definieert twee kwaliteitsniveaus: Minimale Akoestische Bescherming (MAB) en Verhoogd Akoestisch Comfort (VAC). In het geval van MAB gaat het om een normaal comfort waarbij de eisen zijn gericht om het merendeel (70%) van de gebruikers tevreden te stellen met een akoestische bescherming tegen normaal burengeluid. Het hoogste akoestische kwaliteitsniveau, VAC, is enkel van toepassing wanneer speciale wensen in die zin geuit
worden. Het tevredenheidspercentage van de gebruikers wordt hierbij op meer dan 90% geraamd. Om een bepaald kwaliteitsniveau te bereiken worden prestatie-eisen opgelegd. Voor de lucht- en contactgeluidsisolatie van nieuwbouw appartementen en rijwoningen kunnen de in-situ eisen teruggevonden worden in Tabel 1.

Bij de toetsing van deze waarden gaat men ervan uit dat resultaten die 2 dB zwakker zijn dan de vooropgestelde eisen toch nog aanvaardbaar zijn. Deze marge heeft te maken met de onzekerheden bij het opstellen van de prognose en met de beperkte nauwkeurigheid van de meettechnieken. De prestatie-eisen gelden als de regels van goed vakmanschap en zijn van toepassing op alle woongebouwen op het Belgische grondgebied waarvan de bouwaanvraag dateert van na de verschijningsdatum van de norm. Bij rijwoningen worden enkel eisen gesteld in horizontale richting. Bij appartementen worden ook eisen gesteld in verticale en diagonale richting. De aanwezigheid van boven- en onderburen maakt de akoestische problematiek bij appartementen namelijk een stuk moeilijker dan bij rijwoningen. Met name de contactgeluidsisolatie tussen boven elkaar gelegen appartementen is belangrijk. Het risico op akoestische hinder bij appartementen is veel groter dan bij rijwoningen, maar het verwachtingspatroon ten aanzien van akoestisch comfort ligt bij bewoners van appartementen doorgaans iets lager dan bij bewoners van rijwoningen.

Dit is één van de redenen waarom de eisen met betrekking tot luchtgeluidsisolatie tussen appartementen iets minder streng zijn dan bij rijwoningen. Een andere reden is dat hogere eisen bij rijwoningen constructief en kostenmatig eenvoudig haalbaar zijn.

Technische voorlichtingsnota

In de Technische Voorlichtingsnota ‘De lucht- en contactgeluidsisolatie van woongebouwen’ wordt onderscheid gemaakt tussen rijwoningen, appartementen en kolomwoningen. Rijwoningen liggen naast elkaar, kolomwoningen liggen boven elkaar en appartementen liggen boven en naast elkaar, zie Afbeelding 2. De bouwconcepten worden via tabellen met prestatie-eisen beschreven, de zogenaamde “checklists”. Daarnaast worden ook concrete uitvoeringsrichtlijnen gegeven, eigen aan elk bouwconcept of algemeen van toepassing. Er worden eisen gesteld aan de draagvloer, de zwevende vloer, de fundering, de woningscheidende wanden, de dragende wanden en de nietdragende wanden. Zowel voor de horizontale als voor de verticale lucht- en contactgeluidsisolatie werd elk bouwconcept doorgerekend voor een zeer groot aantal configuraties en dit telkens voor de meest nadelige situatie van een klein volume van de ontvangstruimte en een grote scheidingsoppervlakte. Per bouwconcept wordt op basis van een statistische beoordeling van deze berekeningen de kwaliteitscategorie MAB of VAC toegekend, met daarbij als belangrijkste ontwerpparameter de oppervlakte massa van de draagvloeren.

De vermelde oppervlaktemassa van de draagvloer is de waarde inclusief de eventuele druklaag en de uitvullaag onder de trillingsdempende tussenlaag van de zwevende dekvloer. Tabel 2 geeft richtwaarden voor de minimale dikte van holle vloerelementen die nodig zijn om de gewenste oppervlaktemassa’s te bekomen. Deze tabel komt niet uit de Technische Voorlichtingsnota. Voor breedplaatvloeren kan de gewenste oppervlaktemassa eenvoudig omgerekend worden naar een minimale dikte van de breedplaten plus opstortlaag en de uitvullaag. De uitvullaag is dikwijls een dekvloer uit zand-cement met een volumieke massa van 2000 kg/ m³.

Voor het beton van de breedplaten en de opstortlaag wordt gerekend met een volumieke massa van 2500 kg/ m³. In de meeste gevallen is een zwevende dekvloer noodzakelijk om de directe en flankerende contactgeluidstransmissie te beperken. Deze speelt tevens een essentiële rol bij de luchtgeluidsisolatie. De mate waarin de contactegeluidsisolatie door de trillingsdempende tussenlaag verbeterd wordt is de
contact geluid niveaureductie ΔLw, uitgedrukt in dB. In de checklists zijn hiervoor minimumwaarden opgegeven.

De ΔLw van een trillingsdempend materiaal kan men terug vinden in de technische documentatie van het product. Voor de niet-dragende wanden werd in elk bouwconcept gerekend met gipsblokken van 92 kg/ m² en 140 kg/ m², cellenbetonblokken van 55 kg/ m², cellenbeton panelen van 75 kg/ m², baksteen van 85 kg/ m² en 125 kg/ m², betonblokken van 180 kg/ m² en een gipsplaatconstructie met twee deelwanden van dubbele gipsplaat en 4 cm minerale wol ertussen. In de checklists wordt telkens aangegeven welke niet-dragende wanden mogelijk zijn en indien een akoestische muurstrook vereist is onder deze wanden.

Bouwconcepten met onderbroken vloerplaten en dragende ontdubbelde muren

In deze bouwconcepten bestaan de woningscheidende wanden uit twee eenzijdig bepleisterde deelwanden met een spouw van minstens 4 cm. De spouw mag volledig opgevuld worden met een soepele, poreuze thermische isolatie. Stijve thermische isolatie mag ook gebruikt worden mits er minimaal een luchtlaag van 2 cm dik behouden blij om elk structureel contact te vermijden. Tussen de deelwanden bestaat geen enkel hard contact, zelfs geen spouwankers. Deze scheiding tussen de deelwanden is noodzakelijk om de directe en flankerende geluidstransmissie in horizontale richting te beperken. De betonnen draagvloer moet op elk van de deelwanden en op alle andere dragende wanden opgelegd worden en dient onderbroken te worden ter hoogte van de spouw tussen de deelwanden. Afbeelding 3 toont een voorbeeld van een bouwconcept met onderbroken vloerplaten en dragende ontdubbelde muren.

Contactbruggen ter hoogte van de oplegging van welfsels en breedplaten op de deelwanden van de woningscheidende wanden zijn te vermijden. Dit geldt met name bij het storten van de druklaag. Dergelijke contactbruggen kunnen vermeden worden door het toepassen van metalen randprofielen of gelijkwaardig die dienst doen als verloren bekisting. De verbindingen tussen aansluitende randprofielen moeten afgedicht worden om het lekken van betonspecie in de spouw te vermijden.

In Tabel 3 zijn de minimale oppervlaktemassa van de draagvloer (incl. uitvullaag) en de minimale ΔLw voor de zwevende dekvloer weergegeven in functie van het materiaal van de dragende (deel)wanden. Hoewel bij de oppervlaktemassa’s van de dragende wanden geen (dun)pleisterlagen werden inbegrepen, dienen deze omwille van akoestische redenen toch minstens éénzijdig bepleisterd te zijn. Voor de niet-dragende wanden dient de Technische Voorlichtingsnota geraadpleegd te worden. De prestatie in geval van baksteen kan verbeterd worden indien alle dragende wanden geplaatst worden op akoestische muurstroken. Op die manier wordt de flankerende geluidstransmissie gereduceerd.

Uit de laatste twee kolommen van de tabel kunnen we afleiden dat er een minimale oppervlaktemassa van de draagvloer vereist is indien de dragende wanden bestaan uit baksteenop akoestische muurstroken of betonblokken. In beide gevallen kunnen holle vloerelementen van 13 of 15 cm dik toegepast worden om zowel kwaliteitscategorie MAB als VAC te halen in appartementen en kolomwoningen. Verder is MAB en VAC voor rijwoningen haalbaar met lichte vloeren zonder zwevende dekvloer. In de laagste bewoonbare bouwlaag dient echter steeds een zwevende dekvloer met minimale ΔLw van18 dB te worden toegepast.

Bouwconcepten met doorlopende vloerplaten en dragende ontdubbelde muren

In dit bouwconcept bestaan de woningscheidende wanden ook uit twee eenzijdig bepleisterde deelwanden met een spouw van minstens 4 cm. De betonnen draagvloer moet op alle andere dragende wanden opgelegd worden en is niet onderbroken ter hoogte van ontdubbelde muur. Ook hier mag er tussen de deelwanden geen enkel hard contact zijn, zelfs geen spouwankers. Afbeelding 4 toont een voorbeeld van een bouwconcept met doorlopende vloerplaten en dragende ontdubbelde muren.

In Tabel 4 zijn de minimale oppervlaktemassa van de draagvloer (incl. uitvullaag) en de minimale ΔLw voor de zwevende dekvloer weergegeven in functie van het materiaal van de dragende wanden. Voor de niet-dragende wanden dient de Technische Voorlichtingsnota geraadpleegd te worden. De waarden in geval van zware baksteen
gelden enkel indien onder- en bovenaan alle dragende wanden akoestische muurstroken voorzien worden. Andere materialen kunnen desgevallend ook tot de gewenste akoestische resultaten leiden. Vooralsnog zal de eerste versie van de TV zich beperken tot de materialen vermeld in Tabel 4.

De doorlopende vloerplaten bij bouwconcepten zonder akoestische muurstroken koppelen beide deelwanden
van de woningscheidende wanden boven- en onderaan hard aan elkaar. Ze zijn dan ook niet geschikt voor rijwoningen. MAB voor rijwoningen is wel haalbaar met akoestische muurstroken onder- en bovenaan in combinatie met zware baksteen.

Aandachtspunten

Incorrecte dimensionering (bvb. een onvoldoende ΔLw van de elastische tussenlaag) en plaatsing van de zwevende dekvloeren (bvb. geen soepele voeg tussen plint en vloertegels, onzorgvuldige plaatsing van de elastische laag, …) is problematisch voor zowel de luchtals de contactgeluidsisolatie. Indien akoestische muurstroken toegepast worden moeten ze onder, en eventueel boven, alle dragende wanden voorzien worden. Dus niet enkel ter plaatse van de deelwanden van de woningscheidende wanden. Dit wordt vaak vergeten. Druksterkteproeven hebben aangetoond dat het gebruik van akoestische muurstroken kan leiden tot een druksterkteverlies van het metselwerk, afhankelijk van het type blok, het type muurstrook en van het al dan niet voorzien van een mortellaag tussen de muurstroken en de eerste laag blokken. De stabiliteit van dragende wanden op muurstroken moet daarom op voorhand bestudeerd worden door een studie bureau.


Het gebruik van akoestische muurstroken vergt specifieke maatregelen bij het plaatsen van de zwevende vloer. Om te vermijden dat de uitvullaag op de draagvloer een harde koppeling veroorzaakt tussen de muur en de draagvloer dienen extra trillingsdempende randstroken geplaatst te worden, zie Afbeelding 5. Indien ook akoestische muurstroken op de wanden worden geplaatst moet het pleisterwerk in de aansluiting tussen de draagvloer en de wand doorgesneden worden tot op de akoestische muurstrook en vervolgens afgedicht met een overschilderbare elastische voegkit.

De niet-dragende wanden in appartementen en kolomwoningen moeten aan de bovenkant altijd losgekoppeld worden van de draagvloer. Dit is eenvoudig te realiseren door de niet-dragende wanden 1 tot 2 cm lager op te metselen dan de dragende wanden. De voeg die op die manier ontstaat tussen de wanden en de draagvloer moet opgevuld worden met montageschuim. Naderhand dient in de aansluitingen tussen de niet-dragende wanden en de draagvloer het pleisterwerk doorgesneden en eveneens soepel afgekit te worden. (BHE)

Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met het WTCB.

You may also like...