Veilig monteren van prefab vloeren – DEEL 1

Door een betonconstructie met geprefabriceerde elementen uit te voeren wordt een groot deel van het werk op de werf verplaatst naar de fabriek, waar de omstandigheden beter beheerd en beheerst worden. Dit is zowel gunstig voor de kwaliteit van de constructie als voor de veiligheid van de werknemers. Een aantal gevaarlijke handelingen op de werf worden hierdoor vermeden of beperkt. Het plaatsen van prefab elementen houdt echter ook enkele veiligheidsrisico’s in. In dit eerste artikel in een serie van twee worden enkele algemene aspecten besproken. We gaan in op gevaarlijke situaties die zich kunnen voordoen tijdens de voorbereidende werkzaamheden van het monteren van prefab vloeren en we geven een overzicht van de verschillende hijsmiddelen met hun aandachtspunten. We richten ons specifiek op breedplaten en welfsels, maar de meeste risico’s en maatregelen zijn ook geldig voor andere vloersystemen.

Algemene aspecten

Het Wettelijk kader

De wet van 4 augustus 1996, ook de Welzijnswet genoemd, is de basiswet op het vlak van veiligheid op het werk. Deze wet verplicht elke werkgever om een preventiebeleid te voeren, de nodige risicoanalyses uit te voeren en vast te leggen welke maatregelen genomen moeten worden. Indien men bepaalde risico’s niet of onvoldoende kan vermijden, dient men collectieve beschermingsmaatregelen te treffen. Indien dit ook niet mogelijk is, moeten individuele beschermingsmiddelen toegepast worden.

De Welzijnswet schept een kader waarbinnen uitvoeringsbesluiten genomen worden. Deze uitvoeringsbesluiten worden gebundeld in de Codex over het welzijn op het werk. Zo bevat de Codex onder andere het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 betreffende collectieve beschermingsmiddelen en het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen van lasten.

Bevoegdheden en verantwoordelijkheden

De werkgever draagt altijd de eindverantwoordelijkheid met betrekking tot veiligheid, ook al laat hij zich bijstaan door veiligheidsdeskundigen. De leidinggevenden, van directeur tot ploegbaas, zijn het verlengstuk van de werkgever en moeten er voor zorgen dat het veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd. Zij zullen de preventiemaatregelen dus op de werkvloer moeten uitvoeren, elk binnen hun bevoegdheid en op hun niveau. De werkgever voorziet hiervoor de nodige financiële middelen.

Uiteraard hebben de werknemers ook hun rol te vervullen in de uitvoering van het veiligheidsbeleid. In de Welzijnswet staat namelijk dat iedere werknemer in zijn doen en laten op de werkvloer, naar zijn beste vermogen, zorg moet dragen voor zijn eigen veiligheid en deze van andere betrokken personen.

Preventieadviseur en veiligheidscoördinator

Elke werkgever is verplicht een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk op te richten. Deze dienst bestaat minstens uit één preventieadviseur. De interne dienst ondersteunt de werkgever, de hiërarchische lijn en de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de preventiemaatregelen. De interne dienst heeft geen beslissingsbevoegdheid.

Voor tijdelijke bouwplaatsen gelden bijzondere regels. Zo zal de opdrachtgever of de bouwdirectie op een bouwwerf waar meerdere aannemers bij betrokken zijn, een veiligheidscoördinator aanstellen. De veiligheidscoördinator spoort de potentiële risico’s op en stelt de nodige preventiemaatregelen voor, niet alleen tijdens de uitvoeringsfase, maar ook tijdens de ontwerpfase. Hierdoor wordt de veiligheid van de werf reeds geïntegreerd vanaf het ontwerp.

Voorbereidende werkzaamheden

Het aanbrengen van de onderstempeling

Breedplaten moeten vóór het stellen, het storten en het verharden van de opstortlaag onderstempeld worden. De stempels mogen nooit worden weggenomen alvorens de vloer de gewenste sterkte heeft bereikt. Het aantal en de positie van deze tijdelijke lijnvormige ondersteuning wordt door de fabrikant vermeld op het legplan. Deze voorschriften moeten altijd strikt gevolgd worden. Bij de bepaling ervan houdt de fabrikant rekening met het eigengewicht en de verwachte belastingen tijdens en direct na de uitvoering. De nominale opleglengte van een vloerelement met uitstekende wapening is vaak heel kort. Rekening houdend met de productietoleranties in de fabriek en de uitvoerings- en plaatsingstoleranties op de werf kan de werkelijke opleglengte beduidend minder zijn dan de nominale opleglengte. Om het vallen of het beschadigen van deze elementen te voorkomen adviseren de fabrikanten het aanbrengen van een onderstempeling vlak langs de oplegconstructie. Het vallen en/of de beschadiging kunnen het gevolg zijn van een moeilijke plaatsing waarbij er mankracht aan te pas komt om het element op zijn plaats te “wringen”, vaak met behulp van een breekijzer. Dit gebeurt wel eens wanneer een element te lang is of de detaillering van de oplegconstructie geen rekening houdt met de uitvoeringswijze of net andersom. Bijvoorbeeld wanneer de uitstekende wapening aan één uiteinde van een vloerelement niet onder de wapening van een balk kan geschoven worden omwille van onvoldoende ruimte aan het andere uiteinde (figuur 1). Tijdens het eventuele wringen van het element ontstaat het gevaar dat de ondersteunende balk naar buiten wordt geduwd en een ‘te kort’ element geen opleg meer heeft, met het vallen of het beschadigen ervan als gevolg. Het risico op vallen of beschadigen is bij vloerelementen zonder uitstekende wapening veel minder omdat de nominale opleglengte altijd groter is. Gevaarlijke situaties kunnen echter ook hier ontstaan wanneer een element te lang is en gewrongen moet worden tussen de draagstructuur. Te lange elementen kan men daarom beter niet proberen te plaatsen maar op een veilige plaats op de grond aanpassen.

FIG. 1 – Voorbeeld waarbij de uitvoeringswijze niet werd afgestemd op de oplegdetaillering

Voor het plaatsen van de onderstempeling gelden enkele belangrijke regels. Naast een voldoende stabiele en belastbare ondergrond is een goede dimensionering van de onderstempeling zeer belangrijk. Zo dient per geval in functie van de stempellengte en de stempelbelasting de diameter van de stempels bepaald te worden, in samenspraak met de leverancier van de stempels. Het risico op knik bij volledig uitgeschoven en niet gedimensioneerde stempels is groot. In het verleden zijn hierdoor al ongevallen gebeurd. Om dezelfde reden is het verboden om meerdere stempels op elkaar te plaatsen. Verder is een stabiele en verticale plaatsing van de stempels belangrijk. De stempels mogen niet omvallen bij het belasten ervan. Het schoren van de stempels op de ondergrond of op de aanwezige draagstructuur of het gebruik van stempels met een driepoot wordt aangeraden (figuur 2).

FIG. 2 – Stempels met driepoot (bron: CRH)

Boven op de stempels worden altijd dragers voorzien, meestal in hout. Deze dragers moeten voldoende draagkrachtig zijn en mogen tijdens het belasten van de stempels ook niet kantelen. De dragers moeten bovendien centrisch op de stempels geplaatst worden om buiging van de stempels te vermijden.

Aanbrengen oplegmateriaal

Prefab vloerelementen worden normaal gezien op een mortelbed of een oplegrubber gelegd. Het mortelbed kan enkel vlak voor het plaatsen van de vloerelementen aangebracht worden op de oplegconstructie, terwijl een oplegrubber langer op voorhand kan gelegd worden. Het aanbrengen van het mortelbed en de oplegrubber houden ook enkele risico’s in.

Het onbeschermd over muren en balken lopen is hoe dan ook verboden. Voor de eerste vloerelementen wordt meestal gebruik gemaakt van een ladder om de klus te klaren, tenzij langs de dicht te leggen strook al andere vloeren dienst kunnen doen als werkplatform. In dat geval kan het oplegmateriaal aangebracht worden vanaf daar, op voorwaarde dat een randbeveiliging aanwezig is of een persoonlijke valbeveiliging gedragen wordt. Er kan ook vanaf een gevelsteiger gewerkt worden als die aanwezig is. Gevelsteigers worden echter niet altijd gelijktijdig met de ruwbouw opgetrokken. Het aanbrengen van een oplegrubber vanaf een ladder is doorgaans veiliger dan het leggen van een mortelbed vanaf een ladder. In het laatste geval moet men men namelijk een ladder beklimmen met een zware emmer

Reglementair gezien mag een ladder enkel en alleen gebruikt worden om werken op hoogte uit te voeren als de werken licht en van korte duur zijn, als er geen grote risico’s verbonden zijn aan het werk en als het gebruik van andere, veiligere arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is. De hellingshoek van een ladder mag niet te stijl zijn. Dit verhoogt namelijk het risico op het naar achter kantelen tijdens het beklimmen van de ladder. Een te zwakke hoek daarentegen verhoogt het risico op wegschuiven. De ideale hellingshoek is 70°. Op een ladder mag men ook nooit te ver opzij buigen, om het zijwaarts kantelen van de ladder te voorkomen. Bij werken op een ladder van meer dan 2 m hoog moet trouwens een valbeveiliging voorzien worden, hetgeen vanuit praktisch oogpunt niet altijd haalbaar is.

Een platformladder met leuningen reduceert al veel veiligheidsrisico’s. Een rolsteiger is echter nog veiliger op voorwaarde dat deze correct gebruikt wordt en ook voorzien is van leuningen (figuur 3). Rolsteigers kunnen in vergelijking met platformladders wel toegepast worden bij hoogtes tot 12 m. Een vlakke en stabiele ondergrond is wel essentieel. Bij nog grotere hoogtes is het gebruik van een hoogtewerker de meest veilige oplossing.

Een schraagstelling is een andere optie die snel en eenvoudig kan opgesteld worden. Vandaar dat ook nogal eens gebruik gemaakt wordt van dit systeem. De grootste gevaren hierbij ontstaan wanneer de oversteek van de stellingplanken of de afstand tussen de schragen te groot is en wanneer de stelling verhoogd wordt met een tweede niveau schragen. Verder is de toegang tot de schraagstellingen niet altijd even veilig en zijn ze meestal niet uitgerust met een leuning. Bij werken op schraagstellingen mag ook niet uit het oog verloren worden dat de leuningen die in de vensteropeningen zijn geplaatst niet voldoen als valbeveiliging.

Vanaf de plaatsing van de tweede breedplaat of het derde of vierde welfsel kan het oplegmateriaal voor de volgende vloerelementen ook aangebracht worden vanaf de geplaatste vloerelementen. Uiteraard mag dit nooit gebeuren terwijl het element in de kraan hangt, juist boven de oplegconstructie. Indien nog geen collectieve randbeveiliging werd aangebracht moeten de arbeiders in kwestie beschermd worden tegen vallen door een persoonlijke valbeveiliging. Om de werkzaamheden vlot te kunnen uitvoeren is het belangrijk dat valbeveiliging eenvoudig en snel aangebracht en weggenomen kan worden. Bij breedplaten kan de valbeveiliging door middel van een haakverankering (o.a. musketon of karabijnhaak) bevestigd worden aan de tralieliggers, in de hoek tussen een opgaande en een neergaande diagonaal, ook wel knooppunt genoemd. De meest eenvoudige oplossing bij welfsels is het gebruik van een speciale valbeveiligingsklem die op het welfsel verankerd wordt (figuur 4). Het is belangrijk dat de arbeiders op het vloerelement blijven staan om het oplegmateriaal aan te brengen en niet over de muur of balk lopen, om bijvoorbeeld enkele meters oplegmateriaal in één keer aan te brengen. De valbeveiliging verliest dan immers haar nut.

Soorten hijsmiddelen

Het hijsen van breedplaten gebeurt altijd met hijskettingen en hijshaken die bevestigd worden in de knooppunten van de tralieliggers. Afhankelijk van de lengte van de platen kunnen vier-, zes- of achtsprongkettingen gebruikt worden. De voorkeur gaat echter altijd uit naar het gebruik van een hijsbalk, ook evenaar genoemd, voor een betere lastenverdeling. Voor elementen langer dan 6,5 m moet hoe dan ook een hijsbalk of een speciaal hijsframe met hijskabels gebruikt worden (figuur 5).

De meest gebruikte hijsmiddelen bij het plaatsen van welfsels zijn klemmen en hijskettingen met hijshaken. Voorgespannen welfsels worden meestal opgenomen met een welfselklem (figuur  6). Tijdens het hijsen schaart de klem zich automatisch dicht door de zwaartekracht van het vloerelement. Voor zeer lange elementen worden zware klemmen gebruikt. Hiermee moet men rekening houden bij het bepalen van de nodige kraancapaciteit. Welfsels in gewapend beton worden meestal gehesen met speciale welfselhaken die in de holtes aan beide uiteinden gestoken worden (figuur 7). Indien de voegprofilering het toelaat kunnen ze echter ook gehesen worden met klemmen. Voor pasplaten van voorgespannen welfsels worden meestal hijshaken of hijssleutels gebruikt, die dan vastgemaakt worden aan hijsogen of respectievelijk hijsankers die fabrieksmatig in het element werden gestort. Om het plaatsen van gewapende welfsels in metalen liggers te vergemakkelijken worden ze voorzien van hijsgaten. Deze gaten moeten op de werf ‘doorgeklopt’ worden. Hierdoor ontstaan er openingen waarin de welfselhaken aangebracht kunnen worden.

Welfselklemmen moeten ingesteld worden in functie van de lengte van het element. Een te grote overkraging van het vloerelement tijdens de hijsbeweging kan namelijk leiden tot breuk. Ter info, veel welfsels hebben geen bovenwapening om trekspanningen op te vangen. De maximale overkragingslengte die opgegeven wordt door de fabrikant moet daarom altijd gerespecteerd worden. Dit geldt trouwens ook voor breedplaten. Verder moet de klem altijd symmetrisch ten opzichte van het zwaartepunt van het element geplaatst worden. Indien dit niet het geval is zal het element schuin komen te hangen. Een welfsel in een klem mag maximum 5° schuin hangen, anders kan het uit de klem vallen. Ook hijskettingen moeten symmetrisch aangebracht worden ten opzichte van het zwaartepunt van de plaat. Op die manier worden alle kettingen evenredig belast en hangt de plaat horizontaal tijdens het hijsen. Opgelet voor onregelmatige vormen, waarbij het zwaartepunt zich niet noodzakelijk in het midden van het element bevindt. Onbelaste kettingen moeten vermeden worden. Dit kan door de hijskettingen op te hangen aan de topschalm door middel van een evenaar of door één of meerdere kettingen desgevallend in te korten met geschikte inkorthaken.

Bij het gebruik van hijskettingen wordt algemeen aangeraden om de kleinste hoek tussen de kettingen en het vloerelement nooit kleiner te nemen dan 60°. Indien men deze hoek toch wenst te verkleinen, moet men erop toezien dat de toelaatbare belasting niet overschreden wordt. Deze waarde vindt men, in functie van de hijshoek, terug op het identificatieplaatje dat verplicht aan het kettingstel moet hangen. De wetgeving legt echter een minimum vast van 30°. Wanneer hijsogen of hijsankers werden voorzien in het vloerelement mag de hellingshoek nooit kleiner zijn dan 45°. De richtlijnen van de fabrikanten van welfsels en breedplaten voor het correct gebruik van de hijsmiddelen moeten altijd strikt gevolgd worden. Ze moeten trouwens gekend zijn door de arbeiders vóór het plaatsen van de elementen aanvangt. Een voorbeeld van een verkeerd gebruik van hijskettingen met hijshaken of welfselhaken is het hijsen van meerdere op elkaar gestapelde elementen. (BHE)

In BETON 236 verschijnt deel twee van dit artikel. We gaan dieper in op het aanslaan, het plaatsen, het bekisten en het opstorten van de elementen. Heeft u vragen over het veilig monteren van prefab vloeren? U kan terecht bij Bart Hendrikx, technisch adviseur bij FEBE. bart.hendrikx@febe.be of 02 735 80 15.

Persoonlijke valbeveiliging
Een persoonlijke valbeveiliging bestaat uit een verankeringsmiddel, een vanglijn en een valharnas. Het verankeringsmiddel is een ankerpunt of eventueel een leeflijn tussen meerdere ankerpunten die worden toegepast om de vanglijn te verankeren aan een stabiel onderdeel van de constructie. Er bestaan drie soorten vanglijnen: een vaste vanglijn, een vanglijn met valstopapparaat en een elastische vanglijn met ingebouwde valdemper. De eerste twee voorkomen slechts een val en zijn niet geschikt om een val op te vangen. De vanglijn moet bij deze systemen dus zo kort mogelijk gehouden worden. In geval van een elastische vanglijn met valdemper moet rekening gehouden worden met de vrije hoogte waarover een persoon kan vallen zonder obstakels tegen te komen. Deze vrije hoogte moet minstens 6,25 m bedragen, waardoor dit systeem niet altijd kan toegepast worden. Om de valbeveiliging compleet te maken wordt aan de vanglijn een valharnas bevestigd dat door de arbeider gedragen wordt. Dankzij het valharnas wordt de kracht van de val opgenomen door het hele bovenlichaam.

Literatuur:
WTCB-rapport nr. 10 – Veiligheid bij de uitvoering van werken in geprefabriceerd beton, 2008
NAVB-dossier, Bundel nr. 126 – Veilig werken op hoogte, april 2010
Preventie- en toolboxfiches beschikbaar op http://navb.constructiv.be
Veilig welfsels plaatsen, Eindwerken XIOS, Master in de industriële wetenschappen: bouwkunde, Louis Collée, 2010
Instructienota’s fabrikanten Febefloor en Febredal

You may also like...