Olie drijft altijd boven”, tenminste …

Er bestaan heel wat misverstanden en onduidelijkheden over de vigerende wetgeving, de bestaande normering, de toepassing en de dimensionering van afscheiders voor lichte vloeistoffen (koolwaterstofafscheiders of kortweg KWS-afscheiders).

Een goed overzicht ontbreekt voor voorschrijvers, toezichthouders, vergunningverleners, ontwerpers en aannemers om een duidelijk beeld te krijgen van welke installatie wanneer dient geplaatst te worden in het kluwen van regelgeving en normering.

Gravitaire afscheider

Vigerende wetgeving

KWS-afscheiders vallen onder de Europese bouwproductenrichtlijn (CPD, verordening (EU) 305/2011). Deze verordening, sinds 1 juli 2013 van toepassing en omgezet naar de Belgische wetgeving, legt de geharmoniseerde voorwaarden vast waaraan bouwproducten moeten voldoen om vrij in de Europese Unie verhandeld te worden. Voor KWS-afscheiders bevat de geharmoniseerde norm EN 858-1 de ontwerp­richtlijnen en technische vereisten.

Vermits olieafscheiders niet vallen onder ingedeelde inrichtingen volgens de indelingslijst van VLAREM II (opslagvolume voor koolwaterstoffen is standaard immers altijd minder dan 5.000 L), noch voorschriften zijn opgenomen bij de niet ingedeelde inrichtingen, dient voor het concept en de productie van de afscheiders enkel de norm EN 858-1 gevolgd te worden.

In VLAREM II, voor Vlaanderen, en in de Code de l’Eau, voor Wallonië, wordt wel opgenomen waar de KWS-afscheiders moeten toegepast worden.

Toepassingsgebied

In volgende zones dient een KWS-afscheider voorzien te worden:

  • Stel- en opslagplaatsen van voertuigwrakken;
  • Opslagplaatsen voor batterijen, transformatoren en vloeistof (KWS)­houdende recipiënten, tankstations;
  • Plaatsen waar voertuigen of onderdelen worden gereinigd;
  • Parkings van meer dan 5 wagens in drinkwatergebieden (zone IIA) en 20 wagens voor overige gebieden.

Het is duidelijk dat het bij het ontwerp van deze locaties belangrijk is dat er een vloeistofdichte vloer wordt voorzien, die afwatert naar de afscheider. We zien dat hier al eens tegen gezondigd wordt, waardoor het mogelijks vervuilde hemel- of afvalwater niet naar de afscheider wordt afgevoerd maar infiltreert in de ondergrond.

Technische vereisten

De technische vereisten waaraan de afscheiders moeten voldoen zijn, zoals hierboven aangegeven, opgenomen in de (NBN) EN 858-1, de Belgische invulling van de hogergenoemde Europese norm. De fabrikant dient zo onder meer een initiële typetest uit te voeren voor zijn verschillende types afscheiders. Met deze typetest wordt het nominale behandelingsdebiet en het te verwachten maximale restoliegehalte van dit type afscheider vastgelegd. De afscheider bestaat uit een slibvanggedeelte (al dan niet geïntegreerd) en een gedeelte waar de eigenlijke KWS-afscheiding gebeurt.

Op de markt bestaan er verschillende type afscheiders:

Gravitaire afscheiders werken alleen op het principe van de zwaartekracht. Ze hebben het voordeel dat ze technisch heel eenvoudig zijn, maar ze kunnen slechts een restoliegehalte < 100 mg/L (klasse II) garanderen en hebben een grote footprint nodig omdat het gravitaire proces traag verloopt. Behandelde debieten zijn meestal bepekt tot 40 L/s.

Coalescentie-afscheiders versnellen het gravitaire proces door de cohesie van kleinere deeltjes tot grotere (met behulp van een adsorbermateriaal), waardoor hun footprint lager is. Deze afscheiders garanderen een effluent met maximaal restoliegehalte van 5mg/L (klasse I). Meestal zijn de behandelde debieten beperkt tot 200 L/s. Door het toegepaste adsorptiemateriaal zijn ze gevoelig voor onderhoud.

Lamellenafscheiders versnellen het afscheidingsproces door laminaire stroming door kanalen en door middel van het coalescentieprincipe dat op de platen van deze kanalen plaatsvindt. Lamellenafscheiders nemen de minste plaats in en hebben het bijkomende voordeel dat ze een grote maximale flow kunnen behandelen (tot 10x groter dan de nominale flow) waarbij steeds een maximaal restoliegehalte van 5 mg/L (klasse I) gegarandeerd wordt. Behandelingsdebieten tot 1300 L/s zijn mogelijk. De dode zone, waar de olie is opgeslagen, wordt immers niet verstoord door deze grote debieten waardoor het rest­olie­gehalte kan worden gegarandeerd. Bovendien vergen deze systemen minder onderhoud.

Verder zijn in de norm (NBN) EN 858-1 de materialen opgenomen waaruit de behuizing van de afscheider kan opgebouwd worden (zoals beton, glasvezelversterkte kunststof, polypropyleen) en aan welke specificaties deze materialen moeten voldoen. Voor betonnen behuizingen dient zo, zelfs onder inwerking van chemisch agressieve vloeistoffen, een minimale sterkteklasse C35/45 behaald te worden.

Bovendien dienen afscheiders voorzien te worden van een automatische alarmering en staalnamevoorziening. En dienen deze voorzien te worden van een automatische afsluiter, tenzij kan gegarandeerd worden dat het restoliegehalte de opgelegde maximale lozingsnorm van 5 mg/L nooit overschrijdt, ook niet als de afscheider belast wordt met het maximale afstromingsdebiet dat de afscheider kan behandelen volgens de fabrikant. Indien een automatische afsluiter aanwezig is, dient die afgestemd te zijn op de dichtheid van de op te vangen vloeistof.

Indien er een mogelijkheid bestaat dat grotere opslagtanks en reservoirs lekken, dient de olieopslag hieraan aangepast te zijn.

Afscheiders die aan deze normering voldoen, mogen voorzien worden van een CE-label. Let wel, dit label is enkel een fabrikantenverklaring. Er is geen erkende instantie die de opvolging verzorgt of effectief voldaan is aan de voorschriften van deze norm.

Dimensionering

In tegenstelling tot het ontwerp en de bouw van KWS-afscheiders, die een geharmoniseerde norm dienen te volgen, bestaat er geen geharmoniseerde norm voor de dimensionering van afscheiders. Met de NBN EN 858-2 is er wel een Belgische norm opgesteld die de waarde heeft van ‘code van goede praktijk’ voor de bepaling van de toe te passen nominale afmeting van de installatie.

Dimensionering van het te verwerken nominaal debiet (Qn) en maximaal debiet (Qmax) van de afscheider

Om te weten welke maat van afscheider op een locatie dient toegepast te worden, wordt eerst de nominale maat van de afscheider bepaald. Nadien wordt de grootte van de bijhorende slib­vang­voorziening vastgelegd.

Dimensionering van het KWS-afscheidergedeelte

Het nominale debiet dat de afscheider dient te behandelen, bepaalt de maat van de KWS-afscheider. Om dit debiet te bepalen, worden de flow aan afstromend hemelwater en de flow aan industrieel afvalwater, die samen toekomen op de afscheider, opgeteld. Hierbij wordt bijkomend de dichtheid van de af te scheiden vloeistof in rekening gebracht. Immers, hoe meer de dichtheid van de af te scheiden vloeistof deze van water benadert, hoe moeilijker de afscheiding zal plaatsvinden.

Voor de bepaling van de flow van het industriële afvalwater wordt bovendien rekening gehouden of er substanties in het afvalwater kunnen aanwezig zijn die de scheiding bemoeilijken.

Voor de flow van het afstromend hemelwater wordt gekeken naar de grootte van de afstromende oppervlakte, de afvloeiingscoëfficiënt en de regenintensiteit.

Vooral deze laatste parameter heeft een belangrijke invloed op de maat van de afscheider. Vroeger werd hierbij rekening gehouden met terugkeerperiodes van 5 jaar bij buien met een duur van 10 of 15 minuten (afhankelijk van de grootte van het oppervlak), maar door het veranderende klimaat wordt de toepassing van een terugkeerperiode van 20 jaar steeds meer vooropgesteld.

De norm (NBN) EN 858-1 staat toe dat de afscheider voorzien wordt van een bypass systeem. Hierbij wordt uitgegaan van het first-flush principe waarbij eventuele ‘spills’ voornamelijk met het eerste deel van afstromend hemelwater meestromen. Belangrijk voor de goede werking is dat het nominale debiet, het debiet dat de afscheider effectief behandelt, minstens 99% van de neerslag beslaat. Bij het concept van de bypass moet er nagedacht worden op welke manier wordt gegarandeerd dat bij het maximale debiet aan de eisen betreffende het maximale restoliegehalte wordt voldaan. Dit maximale debiet wordt bepaald door middel van een buiduur van 10 minuten, die eens elke 20 jaar voorkomt (312 L/s.ha volgens de code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het ouderhoud van rioleringssystemen). Vooral belangrijk bij deze afweging is de wijze waarop vermeden wordt dat aanwezige opslag van bezonken slib en afgescheiden koolwaterstoffen terug worden meegenomen naar het effluent door de aanwezige turbulente stroming.

Dimensionering van de slibvangvoorziening

Om de benodigde grootte van de slibvang te bepalen gaat de norm uit van de nominale maat van de afscheider en de omstandigheden waarin deze afscheider wordt ingezet. Hierbij varieert de inhoud van deze voorziening tussen 100 en 300 maal de grootte van de nominaal te behandelen flow, met een minimum van 2000 L.

Slibvangers op basis van vortextechnologie kunnen een absolute meerwaarde vormen voor de slibafscheiding. Ze hebben een kleine footprint en voorkomen dat het neergeslagen slib opnieuw wordt meegenomen bij turbulente stroming. Daardoor zijn ze ook uitermate geschikt voor het neerslaan van zware metalen die gebonden zijn aan het slib.

Onderhoud

Het uitvoeren van het nodige onderhoud verzekert de gebruiker ervan dat de afscheider goed blijft functioneren in de tijd. Zeker coalescentie-afscheiders zijn gevoelig voor vervuiling en dienen dus tijdig (liefst minstens halfjaarlijks) gereinigd te worden. Verstopte coalescentie-afscheiders hebben im­mers al menig terrein blank gezet waardoor de schade aan de aan­wezige infrastructuur aanzienlijk kan zijn. Bovendien moet de goede werking van de alarmering gecontroleerd te worden.

Duurzaamheid

Coalescentie-afscheider klasse I met bypass systeem

Door hun structurele sterkte en chemische bestendigheid kunnen betonnen systemen als duurzaamste oplossing aangeduid worden. Fabrikanten van betonnen bekuipingen kunnen tot 30 jaar garantie geven, indien de plaatsingsvoorschriften worden gevolgd. Hierdoor worden zowel de eindklant als de voorschrijver (10-jarige aansprakelijkheid) beter beschermd. Bovendien kunnen ze verkeersbelastingen aan, gaande van D400 tot zelfs E600. Door hun gewicht zijn betonnen afscheiders beter beschermd tegen opdrijving en dragen ze bij tot een eenvoudigere plaatsing.

De toekomst

Er zijn een heel aantal verbeterpunten die in de toekomst door de wetgever kunnen ingebracht worden om de werking van de KWS-afscheiders in praktijk te verbeteren.

Wat het ontwerp en de bouw betreft, lijkt een opvolging van de fabricagekwaliteit een goede start. Er zal immers in de toekomst gestreefd worden naar kwalitatieve, inspecteerbare enkelwandige afscheiders, waarvan de duurzaamheid en waterdichtheid getest en aangetoond wordt door middel van een factory production control. Zo niet dient een dubbelwandige tank met lekdetectie toegepast te worden of een gelijkwaardig systeem dat dezelfde bescherming biedt.

Verder lijkt het raadzaam om het minimaal te behandelen nominale debiet en de te gebruiken klimaat­adaptieve regenintensiteit vast te leggen voor de bepaling van het maximaal afstromende hemelwater­debiet. De ontwerper zal in de toekomst met een berekening moeten aantonen op welke manier hij de KWS-afscheider heeft gedimensioneerd.

Ook het tijdige onderhoud en de inspectie van de installaties zullen in de toekomstige wetgeving terug te vinden zijn. Natuurlijk draagt ook het volgen van en het toezien op de huidige vigerende wetgeving, zoals de voorziening van een ondoorlatende vloer op plaatsen waarbij er een risico is op lekkages, bij tot de goede werking van de toekomstig te plaatsen afscheiders. [FEBEO]